Monday, 22 February 2016

Belastingarbitrage tussen box 3 en een eigen bv

Prof.dr. J.C.M. van Sonderen - Maandblad Belasting Beschouwingen 2016/02 
De wijzigingen in de regeling van het forfaitair rendement van box 3 per 1 januari 2017 zullen belastingarbitrage met zich meebrengen. In deze bijdrage wordt met name onderzocht de belastingarbitrage tussen box 3 en een eigen bv.

Het nieuwe belastingverdrag Nederland-Duitsland: een update

Prof.mr. F.P.G. Pötgens en Prof.mr. A.J.A. Stevens - Maandblad Belasting Beschouwingen 2016/01
In het themanummer van MBB van augustus 2012 is ingegaan op het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland. In deze bijdrage wordt aandacht besteed aan de verduidelijkingen en ook veranderingen sindsdien als gevolg van o.a. de parlementaire behandeling.  

Wijzigingen in de loonheffingen met ingang van 2016

Mr. J. de Haan - Maandblad Belasting Beschouwingen 2016/01 
In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van de wijzigingen in de loonheffingen met ingang van 2016. De wijzigingen vinden hun wettelijke grondslag in de Fiscale Verzamelwet 2015, het Belastingplan 2016 en Overige fiscale maatregelen (OFM) 2016. Waar de wetgever vorig jaar nog afscheid genomen leek te hebben van een wetsvoorstel OFM, dat toch sinds jaar en dag gebruikelijk was, is de wetgever klaarblijkelijk op zijn schreden teruggekeerd. Verder aandacht voor de Wet tegemoetkomingen loondomein. Omdat die wet echter, afhankelijk van het onderdeel, pas in werking treedt op 1 januari 2017 en 1 januari 2018, wordt de behandeling ervan beperkt tot hoofdlijnen. Vervolgens komt het wetsvoorstel ‘Deregulering beoordeling arbeidsrelaties’ aan bod, dat bedoeld is op 1 april 2016 in werking te treden. Ten slotte enige opmerkingen over de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder en de wijziging daarvan met ingang van 1 januari 2016.

De crisis voorbij … ???

Prof.mr.drs. H.P.A.M. van Arendonk - Maandblad Belasting Beschouwingen 2016/01 
De crisis voorbij …. ??? Eigenlijk verkeren wij al minstens acht jaar in een crisissfeer. Een financiële crisis, een bankencrisis, een economische crisis, een woningmarktcrisis, een pensioencrisis, een vluchtelingencrisis, een Europese crisis enzovoort, maar bovenal een vertrouwenscrisis en een angstcrisis. Naar mijn mening is de vertrouwenscrisis veel hardnekkiger. De burgers hebben steeds minder vertrouwen in hun politici. In het zicht van de Tweede Kamerverkiezingen in maart 2017 zal het kabinet-Rutte II er alles aan moeten doen om het vertrouwen van de burgers terug te winnen.

Minimumdrempel voor artiesten en sporters in belastingverdragen

Dr. D. Molenaar - Maandblad Belasting Beschouwingen 2015/12
Kleinere artiesten en sporters vinden in de praktijk de nodige problemen door art. 17 OESO-Modelverdrag met als gevolg gedeeltelijke of volledige dubbele belastingheffing. In deze bijdrage wordt ingegaan op de in het nieuwe Commentaar op het OESO-Modelverdrag opgenomen minimumdrempel om niet onder de belastingheffing van het land van optreden te vallen, maar uitsluitend onder die van het woonland.

De fiscale eenheid in het licht van het EU-recht na de arresten Groupe Steria en Finanzamt Linz

Prof.dr. Q.W.J.C.H. Kok - Maandblad Belasting Beschouwingen 2015/12 
Na een bespreking van de arresten Groupe Steria en Finanzamt Linz van het Europese Hof van Justitie wordt onderzocht wat de consequenties kunnen zijn voor de fiscale-eenheidsregeling. Enige voorbeelden van de per-element-benadering worden besproken en EU-rechtelijk getoetst. De staatssecretaris van Financiën zal nu met voorstellen moeten komen tot aanpassing van het fiscale-eenheidsregime dan wel van specifieke regelingen waar sprake is van een belemmering.

Woning is terecht als fictief legaat bestempeld

mr. W. Verstijnen - NTFR 2016/605
Op 21 januari 2011 is erflaatster overleden. Erflaatster was weduwe en heeft als haar erfgenamen vier kinderen achtergelaten, waaronder belanghebbende. Tot het vermogen van erflaatster behoorde aanvankelijk in eigendom de door haar bewoonde woning. Door een taxateur is de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat van de woning bepaald op € 117.500 en de huurwaarde op € 7.800 per jaar, oftewel € 650 per maand. Vervolgens heeft erflaatster de woning bij akte van 19 juli 2010 verkocht aan belanghebbende en diens echtgenote voor € 117.500. Daarbij is tussen erflaatster en de kopers een huurovereenkomst gesloten waarin de woning aan erflaatster met ingang van 1 augustus 2010 is verhuurd tegen een huursom van € 650 per maand.
Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur met toepassing van art. 10 SW 1956 de woning als fictief legaat aangemerkt en bij belanghebbende in aanmerking genomen als een verkrijging van € 88.570. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur ten onrechte de woning heeft aangemerkt als een fictieve verkrijging door belanghebbende.
De rechtbank heeft dienaangaande overwogen dat niet in geschil is dat de WOZ-waarde van de woning voor het kalenderjaar 2011 € 216.000 bedraagt. Nu de door erflaatster aan belanghebbende betaalde huursom minder bedraagt dan 6% van die WOZ-waarde, heeft de inspecteur zich terecht op het standpunt gesteld dat erflaatster wordt geacht een genot van vruchtgebruik van de woning te hebben gehad en is de woning terecht als fictief legaat in verkrijging van belanghebbende betrokken. Daarbij is in aanmerking genomen dat gezien art. 17, lid 2, Wet WOZ de WOZ-waarde van de woning de waarde van de woning in onbezwaarde staat vertegenwoordigt als bedoeld in art. 10, lid 3, SW 1956.
Naar aanleiding van het hoger beroep van belanghebbende heeft Hof Den Haag (11 december 2014, nr. 14/00171, NTFR 2015/473) zich aangesloten bij die oordelen van de rechtbank. In aanvulling daarop heeft het hof gewezen op de door de wetgever gekozen (heffings-)systematiek. Die houdt volgens het hof hier in dat de woning, waarop erflaatster ten laste van haar vermogen een vruchtgebruik heeft verworven, wordt geacht krachtens erfrecht door overlijden te zijn verkregen door belanghebbende (en diens echtgenote). Het geheel van voorhanden zijnde gegevens, in het bijzonder het gegeven dat erflaatster voor het genot van de woning (ingevolge de huurovereenkomst) aan belanghebbende als eigenaar, dat wil zeggen degene ten laste van wie dat huurgenot komt, niet jaarlijks een huurvergoeding heeft betaald die ten minste gelijk is aan het percentage van de waarde van de woning in (de alsdan) onbezwaarde staat, dat wil zeggen de waarde van de woning vrij van het bij wijze van fictie aanwezige vruchtgebruik, laat volgens het hof geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende (voor zijn deel) krachtens erfrecht door overlijden van erflaatster een pand heeft verkregen. Die verkrijging is voor dat deel door de inspecteur terecht belast met erfbelasting.
In het cassatiemiddel van belanghebbende wordt het oordeel van het hof bestreden dat hier sprake is van de verkrijging van een fictief legaat ingevolge art. 10 SW 1956. Er is, naar het A-G IJzerman voorkomt, in beginsel iets te zeggen voor de opvatting van belanghebbende dat bij zakelijke, in de zin van marktconforme, vaststelling van de verkoopprijs van de woning en de huurprijs, art. 10 SW 1956 naar zijn strekking geen toepassing zou moeten vinden. Er worden dan immers geen vererfbare eigendomsrechten omgezet in niet-vererfbare genotsrechten ten gevolge waarvan de nalatenschap wordt verkleind en aldus erfbelasting wordt ontgaan. Echter, uit de hofuitspraak blijkt dat de verkoopprijs ad € 117.500 is omschreven als ‘de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat’. Dit duidt op een verkoopprijs die lager ligt dan de waarde vrij in het economische verkeer. Dat sluit aan bij het gegeven dat niet in geschil is dat de WOZ-waarde van de woning voor het kalenderjaar 2011 € 216.000 bedraagt.
Blijkbaar was de overeengekomen koopprijs voor de woning van € 117.500 lager dan de op het overdrachtsmoment geldende waarde vrij in het economische verkeer. Het voorbehouden huurrecht heeft in casu kennelijk een waardedrukkend effect gehad op de overeengekomen koopprijs. Zo zijn door erflaatster vererfbare eigendomsrechten (de eigendom van de woning) omgezet in niet-vererfbare genotsrechten (het huurrecht) en wel zodanig dat daarmee de nalatenschap is verkleind en aldus erfbelasting kon worden ontgaan. De advocaat-generaal merkt op dat dit nu juist de situatie is waar art. 10 SW 1956 voor bedoeld is. Dat betekent volgens de advocaat-generaal dat de opvatting van belanghebbende over doel en strekking en de toepassing van deze wetsfictie, wat daar overigens ook van zij, hem niet verder kan brengen gezien de feiten van zijn casus.
Ingevolge art. 10, lid 3, SW 1956 wordt de erflater geacht een genot van een vruchtgebruik te hebben gehad van de in art. 10, lid 1, SW 1956 bedoelde goederen indien hij, aan degene ten laste van wie dat genot komt, ‘niet jaarlijks daadwerkelijk een bedrag betaalt dat ten minste gelijk is aan het percentage, bedoeld in artikel 21, dertiende lid, van de waarde van de goederen in onbezwaarde staat’. Het gaat om een percentage van 6. De WOZ-waarde is de waarde van de ‘onbezwaarde eigendom’. Een en ander komt erop neer dat er, ingevolge art. 10, lid 3, SW 1956, jaarlijks daadwerkelijk een bedrag aan huur moet worden betaald dat ten minste gelijk is aan 6% van de WOZ-waarde van de betreffende woning, wil er sprake zijn van een ‘genotsvoorkomende zakelijke huur’. Indien de in feite betaalde huur daaronder blijft, zoals zich hier voordoet, is art. 10 SW 1956 van toepassing op de gehele fictief verkregen onroerende zaak. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.